Artikel
Geschreven door Erik Jansen
Posted on 16-11-2016

Faillissementsaanvraag als middel bij incasso: niet altijd een goed idee

833 keer gelezen

Het is de gruwel van iedere ondernemer: een debiteur die niet betaalt. Het faillissement aanvragen, kan een goed drukmiddel zijn om een debiteur toch tot betaling aan te zetten. Ik schreef daarover eerder al een blog.

In dat blog beschreef ik een voorbeeld uit de praktijk. Daarin had de schuldeiser een redelijke belang om zo snel mogelijk zijn vordering voldaan te krijgen. In die zaak oordeelde het Hof ook dat het faillissementsverzoek van de schuldeiser niet op voorhand kansloos was of gebaseerd was op onjuiste informatie.

Procederen, of daarmee “dreigen”, is niet snel onrechtmatig

Ja, de aanvraag van het faillissement kan dus een mooi drukmiddel zijn om een vordering te incasseren. Toch blijkt uit een ander recent geval dat het voor de schuldeiser ook fout kan gaan. In oktober oordeelde de rechtbank Amsterdam dat een schuldeiser onrechtmatig had gehandeld en misbruik van procesrecht had gemaakt door het faillissement aan te vragen van haar (vermeende) debiteur.

In die kwestie kwam de rechtbank tot het oordeel dat de faillissementsaanvraag geen kans van slagen had. De debiteur verkeerde immers niet in de toestand dat hij had opgehouden te betalen. Dat is het criterium dat een rechtbank gebruikt om te toetsen of een bedrijf failliet verklaard moet worden.

Onterechte faillissementsaanvraag

De rechtbank oordeelde dat de schuldeiser die het faillissement aanvroeg wist dat de debiteur niet was opgehouden te betalen. Het speelde ook een rol dat de niet-betwiste vorderingen van de schuldeiser wel waren betaald. De schuldenaar had een aantal vorderingen van de schuldeiser betwist en daarom niet betaald. Die betwisting was bovendien goed gemotiveerd. Niet betalen kwam dus voort uit het feit dat de debiteur vond dat ze niet hoefde te betalen, niet dat ze niet kon betalen.

Op grond van die feiten kwam de rechtbank tot de conclusie dat de schuldeiser nodeloos kosten veroorzaakte bij de debiteur door het faillissement aan te vragen. Die kosten moeten worden vergoed door de schuldeiser die ten onrechte het faillissement aanvroeg. De schade van de schuldenaar bestaat uit de advocaatkosten die de debiteur redelijkerwijs heeft moeten maken om zich te verweren tegen de (onterechte) faillissementsaanvraag.

Conclusie: gebruik dit drukmiddel niet zomaar

De les is dus: als je een vordering meent te hebben, die met goede argumenten wordt betwist en daarom niet wordt betaald, is het beter een “gewone” rechtszaak te beginnen of andere mogelijkheden te bekijken. Dan vraag je de rechtbank te oordelen over het bestaan van de vordering. In zo’n geval geeft een faillissementsaanvraag (als drukmiddel) geen pas. Als de faillissementsaanvraag op voorhand kansloos is of gebaseerd is op onjuiste feiten, kun je als schuldeiser aansprakelijk zijn voor de advocaatkosten van de debiteur.

Als je een onbetwiste – en opeisbare – “harde” vordering hebt, kan je het faillissement prima als drukmiddel gebruiken om betaling af te dwingen. Ter zitting (als je niet betaald wordt en je zet het verzoek door) zal je de rechtbank dan wel moeten kunnen overtuigen dat de schuldenaar daadwerkelijk ook verkeert in de toestand te hebben opgehouden te betalen.